Eco Cycle Innovation for Textile & Woodworking Industries

Is het huren van kleding echt meer milieubelastend?

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Als het huren van kleding u aanbelangt, is de volgend bericht u ongetwijfeld niet ontgaan. Het huren van kleding zou dan toch niet gunstig zijn voor het milieu, zoals heel wat persartikels melden na een eerste artikel dat op 6 juli 2021 verscheen in The Guardian. Dat artikel in The Guardian verwijst naar een onderzoeksbrief die Finse onderzoekers in mei 2021 publiceerden in het tijdschrift Environmental Research Letters. (Noot: een onderzoeksbrief is een meestal kortere vorm van wetenschappelijk artikel, dat een nieuwe en belangrijke bijdrage levert aan het bestudeerde gebied en daarom een snellere publicatieprocedure vereist dan die van klassieke wetenschappelijke artikels.)

In het kader van Ecy-Twin wagen wij het verduidelijking aan te brengen over de hypotheses waarvan de wetenschappers zijn uitgegaan en die tot deze resultaten hebben geleid.

Ten eerste moet worden opgemerkt dat dit een zuiver theoretische studie is, d.w.z. dat er geen case-studie werd uitgevoerd en dat de gebruikte gegevens derhalve theoretisch zijn (zij zijn geïnspireerd op een bestaand aanbod in Finland maar zijn niet als zodanig bij de onderneming verzameld): “The developed scenarios are theoretical in that they do not describe a business model or a practice of any individual company or actor.” (Levänen et al., 2021, p. 3)

De studie vergelijkt dus de impact van verschillende fictieve consumptiescenario’s voor een spijkerbroek. Twee scenario’s interesseren ons daarbij in het bijzonder: het eerste en het vijfde. Het eerste betreft lineaire consumptie van het type kopen-gebruiken-wegwerpen, het vijfde gaat over het huren van een spijkerbroek (functionaliteitseconomie).

De hypothese die het zwaarst doorweegt, is volgens ons het feit dat de gebruiker zich in het huurscenario stelselmatig met de auto begeeft naar de plaats waar hij de broek ophaalt. Bovendien wordt de verplaatsing per auto louter gemaakt om de jeans op te halen en niets anders. De impact van de verplaatsing wordt dus niet verdeeld over de mogelijk verschillende doelen van die verplaatsing. In een LCA houdt men normaal echter rekening met het geheel van de doelen van een activiteit en verdeelt men de impact van de activiteit evenredig over alle doelen die ze mogelijk maakt. Deze hypothese lijkt amper realistisch. Gaat het bovendien om een aanbod in een stad, dan is het ondenkbaar dat alle gebruikers zich er per auto naartoe zouden verplaatsen (des te meer omdat zij ongetwijfeld deels uit ecologische overwegingen voor deze oplossing kozen). Er bestaan gegevens over de gebruikte verplaatsingswijzen naargelang de afstanden die men in de stad aflegt en daarbij wordt nooit melding gemaakt van 100% autogebruik. Anderzijds is het waarschijnlijk dat ten minste een deel van de gebruikers het ophalen van hun spijkerbroek combineert met andere boodschappen of andere activiteiten die onderweg kunnen gebeuren. In dergelijke gevallen moet een bepaald deel van de verplaatsing worden toegewezen aan elke activiteit die men onderweg verricht, maar ook dient men dan rekening te houden met het gebruik van andere vervoermiddelen. De auteurs, zo blijkt, zijn zich weliswaar bewust van deze vertekeningen, maar houden er geen rekening mee in hun hoofdscenario. Dit is nochtans wél het scenario waarover zij rapporteren en de resultaten die vervolgens in de pers zijn verschenen.

Een andere twijfelachtige hypothese gaat over het wasproces. Er wordt immers gesteld dat de jeansbroek in het huurscenario door het verhuurbedrijf wordt gewassen. Het is dus uitermate waarschijnlijk dat dit bedrijf industriële wasmachines gebruikt en profiteert van schaalvoordelen in vergelijking met wassen met een machine in een huishouden. Niettemin worden in beide scenario’s dezelfde was- en onderhoudsgegevens gebruikt: “The same number of washes and electricity consumption of washing were assumed for all scenarios no matter whether washing was done by a consumer or a sharing service provider.” (Levänen et al., 2021, p. 4). Die keuze is dus niet coherent met de scenario’s zoals de auteurs ze formuleren.

Een derde hypothese is ten slotte dat het in beide scenario’s om dezelfde jeans gaat. Deze hypothese lijkt ons aannemelijk. Er moet echter op gewezen worden dat de theorie rond de functionaliteitseconomie niet in die richting gaat. Een van de basisprincipes is immers dat het verhuurbedrijf er voor een rendabel aanbod alle belang bij heeft een product aan te bieden dat ecologisch ontworpen is om langer mee te gaan. Hoe langer het product namelijk in gebruik blijft, des te langer kan het bedrijf waarde ontvangen door het te verhuren. Wij stellen dus zeker niet dat in de realiteit alle verhuurbedrijven sterkere kledingstukken aanbieden, maar het is jammer dat zij deze mogelijkheid niet ook hebben toegepast op de definitie van de te huur aangeboden jeans, aangezien de auteurs tot dusver een theoretische benadering hebben gehanteerd.

De enige parameter die dan verschilt tussen het koopscenario en het huurscenario is het feit dat de huurder om de 10 gebruiksbeurten met de auto naar een locatie op 2 km van zijn woonst rijdt om een andere jeans op te halen. Op basis daarvan kon om het even wie de resultaten van de studie vermoeden.

Dit artikel is bedoeld om iedereen die zich mogelijk afvraagt hoe men tot dergelijke resultaten komt, extra inzichten aan te reiken.